Bang(kok)

Nogmaals een kort berichtje vanuit stormachtig Koh Tao: het is hier niet fantastisch (qua weer), maar we hebben hier zeker geen last van bomaanslagen, in tegenstelling tot Bangkok. Wie zich dus zorgen maakt: niet nodig, geniet rustig verder van het zomerweer!

Weer terecht

Een korte dienstmededeling. In de geringe momenten van ledigheid die het drukke reizigersbestaan mij laat heb ik kansgezien een veelvuldig gerapporteerd probleem met de website (eindelijk) naar een andere wereld te helpen: reacties die bij onze stukjes geplaatst worden komen eindelijk weer op de goede plaats terecht. Voorheen werden, door een onduidelijk probleem, reacties bij schijnbaar willekeurige verhaaltjes geplaatst. Dat alles, lieve mensen, is dus verleden tijd. Neem de gelegenheid ten baat om dit moois gerust eens uit te proberen.

Mallereisië

Een korte samenvatting van de logistieke operatie van de afgelopen 48 uur: 2 uur met de taxi, 20 minuten op de brommer, 22 uur in de trein en 9 uur op de boot. Waarom? Omdat onze visa voor Thailand dreigden te verlopen en door nieuwe vervangen moesten worden. En, geloof het of niet, de makkelijkste manier om dat te doen is door een retourtje naar Maleisië te maken. Vlak over de grens met Thailand ligt Kota Bahru, een provinciehoofdstad met als een van de voornaamste trekpleisters een Thais consulaat-generaal.

Onze reis begon de 17e. Met de meest luxueuze boot die het eiland rijk is, een 10 stoelen brede catamaran, vertrokken we halverwege de middag naar het Thaise vasteland. Ondanks regen, wind en golven zoefde de boot nagenoeg geruisloos en zonder rollen of deinen over het water. Een bijzonder aangename ervaring. Zeker als de regen op de ramen slaat en de boeggolven buiten hoog opspatten is het niet moeilijk de luxe van een comfortabele stoel en verkoelende airconditioning te waarderen.

Het ‘echte reizen’ (een woord dat eigenlijk zou moeten rijmen op bikkelen) begon pas aan de vaste wal. Een touringcar had ons van de pier naar Chumphon stad gebracht en voor het treinstation afgezet. De trein stond pas voor 9 uur in de avond op de vertrekstaat en buiten was alles nog licht. Wat rondwandelen in Chumphon doodde de tijd. De stad is niet heel spannend, maar zeker niet zonder z’n gemakken. Enfin, Judica schreef al over onze superijsjes.

De treinreis naar Maleisië was spannend. In een Thaise couchette is het leven anders dan in een Chinese, zo leerden we. Waren we op de Trans-Siberië trein gewend geraakt aan mooie coupées, dit keer sliepen we allemaal op de gang. Bij het ochtendgloren voegden zich zwaarbewapende militairen bij het reisgezelschap. Het spoor naar Maleisië loopt dwars door drie opstandige provincies: het kniptangetje van de conducteur maakt dan niet genoeg indruk meer.

Vanuit Su-ngai Kolok konden we de grens gemakkelijk over. Een taxirit van een uur, gedeeld met Franse pensionhouder David van buureiland Pangan, bracht ons in Kota Bahru. Over die stad valt wel een aantal dingen te melden. Maleisië is een Islamitisch land en Kota Bahru is het visitekaartje van die identiteit. Ongesluierde vrouwen lieten zich met een vegrootglas zoeken en op elke straathoek waren teksten in Arabisch-Maleis te lezen. Veel mannen in jurken ook en absoluut geen varkensvlees op de counters van straattentjes; zelfs de tandpasta is halal. Zo nu en dan was ook de gebedsoproep te horen, zelfs binnen in supermarkten op de intercom. Toch wel een cultuurshock.

Wat ons erg opviel was de overweldigende vriendelijkheid van de Malay: Thai hebben de naam, maar we hebben over de grens meer vriendelijke gezichten in 24 uur gezien dan in Thailand in een maand. Heel hulpvaardig en aangenaam in de omgang. Toch is het raar om te zien op welke manier de samenleving door de Islamitische identiteit is ingericht: in de supermarkt vonden we bijvoorbeelod aparte rijen voor mannen, vrouwen en gezinnen. Bij de McDonalds droegen alle dames behalve een keurig uniform kostuum ook een bijpassend uniforme hoofddoek. En dan de hamburgers op straat: alles halal en de smaak van een dubbele kipburger is bepaald niet mis.

Onze hotelkamer hadden we uitgezocht op luxe. De Maleisische Ringit verhoudt zich 1:10 tot de Thaise Baht en we hadden ons de luxe grens van 100 Ringit voor een hotelnacht gesteld. Dat is ongeveer 25 euro. Met al dat reizen moet een mens zichzelf ook wel wat kietelen. Sowieso hadden we al begrepen dat Kota Bahru niet bekend staat om z’n goedkope overnachtingsadressen. Enfin: na wat zoeken vonden we een aangenaam hotel. De kamer was prachtig: heel ruim met een zacht en schoon bed, plenty ruimte en een zithoekje. De badkamer stond daarmee in schril contrast, maar de aanstaande verbouwing lost dat hopelijk op. Het water was evengoed heerlijk warm (mijn laatste warme douche was alweer een maand geleden) en we hebben de luxe van koffie en thee op de kamer ook goed laten smaken.

Het aanvragen van nieuwe visa verliep heel soepel. De aanvraagformulieren hadden we al in Thailand geprint en ingevuld, zodat we weinig meer hoefden te doen dan de papieren door het loket te schuiven. De volgende ochtend, na een minder geslaagd Maleis hotelontbijt (met rijst en allerlei soepachtige gerechten, maar zonder lekkere broodjes of yoghurt) kregen we onze paspoorten met nieuwe visa weer even gemakkelijk terug door het loketraam geschoven. Heel snel. De taxi stond nog op ons te wachten en reed ons in een uurtje vliegenvlug terug naar de grens (we hadden namelijk een trein te halen). Stempels, een wandeling over een brug in niemandsland en we waren weer terug in Thailand.

De trein vertrok uiteraard met vertraging en toen we na urenlang zitten en kanenbraaien het leven in de coupé grondig zat begonnen te raken (ook al waren de vele verkopers die met allerhande etenswaren langs de wagons leurden soms best amusant), werden we door twee vriendelijke medereizigers getipt dat we bijna bij Surattani waren, alwaar we ruim op tijd zouden zijn voor de nachtboot. Ons oorspronkelijke plan was terug naar Chumphon te gaan en daar na een nacht op straat/aan de pier de ochtendboot naar Koh Tao te nemen. De nachtboot bleek een beter idee. Veel luxe hoefden we natuurlijk niet te verwachten: de boot bleek al vol, maar voor ons werd nog een aantal slaapplaatsen geïmproviseerd. Op de nachtboot slaapt iedereen op smalle matrasjes op de grond, dus we vielen in het geheel niet op. De stapels verse eieren en prominent opgestelde scooters gaven onze slaapplaats nog enige beschutting.

Op de boot konden we nog wat slapen. Net op tijd om de zon bij Koh Tao te zien opkomen waren we weer wakker. Na een vaart van een kleine 8 uur kwam de boot weer terug op ons vertrouwde paradeiland. Fijn om al die bekende plekken weer te zien, zeker na die lange treinrit met mitrailleurs en eindeloos veel stations. Ons motorfietsje stond nog op ons te wachten en we waren opgelucht te merken dat (mede dankzij onze waakse kakkerlak) in ons hutje alles nog stond waar het hoorde.

Nu liggen we weer op bed. Ons beddengoed is lekker schoon en we genieten met volle teugen van het gevoel weer terug ‘thuis’ te zijn. Maleisië voelt als een malle droom, een gekke vliegensvlugge reis. Over een week of zes gaan we terug naar dat mysterieuze land en ontsluieren we hopelijk wat meer van ‘s lands schoonheden.

Samen onder

Je zou zeggen dat samen een opleiding tot duikmeester volgen ook betekent dat je vaak samen duikt. Mis! Judica en ik duiken bijna nooit samen. Assisteren bij de cursus van een instructeur doe je meestal alleen en onze programma’s lopen noodgedwongen nogal eens uiteen. Des te leuker is het dan ook als we toch weer eens samen onder kunnen gaan.

Gisterochtend maakten we een dubbele duik bij Chumphon Pinnacle, een van de diepere en verder afgelegen duiklocaties van Koh Tao. Een dubbele duik daar is als een klein feestje, want het is er erg mooi en zo vaak komen we er niet.

Jammer genoeg is het water op veel plaatsen rondom Koh Tao de laatste tijd wat troebel. Het regent hier ‘s nachts nogal eens en daardoor spoelt een hoop viezigheid het water in. Maar op onze dubbele duik was het water best heel helder! Gemakkelijk konden we een meter of 15 vooruit kijken. Meer duikscholen hadden plannen op dit mooie plekje en toen we kopje onder gingen zagen we in eerste instantie meer duikers dan vissen. Het leek wel alsof we een school duikvissen zagen. Bijzonder, maar ook een beetje jammer.

De eerste van de twee duiken konden we niet samen maken, maar de tweede duik was het pret. Judica nam een leitje mee om wat van de rotsen in kaart te brengen en ik kon haar vanuit mijn eigen herinnering al wat rondleiden. Met z’n tweeën duiken is heel bijzonder. Met meer mensen voelt het toch al snel als een soort excursie, maar als je maar op één iemand hoeft te letten, ben je veel vrijer. Zegt je intuïtie ‘linksaf bij de volgende rots’, dan kun je dat gewoon doen en hoef je niet in conclaaf met de duikleider.

We zagen allerlei mooie dingen onder water: grote baarzen en garnalen, kleine gele kubieke visjes, veel gestipte en gestreepte visscholen en prachtige roofvissen. Heel aangenaam. En nog leuker: omdat we samen waren konden we ook ongestoord onderwater eens een knuffel of een (moeizaam) kusje uitwisselen. Niemand die het ziet of die het stoort.

Landrottig

“De boot is stuk!” Dat bericht bereikte ons vanochtend via-via in de duikshop. De reparaties duurden de hele dag en zijn waarschijnlijk pas morgen klaar. Verplicht een dagje aan de wal blijven dan maar. En dat is best raar, want we zijn onderhand behoorlijk aan het ritme van het duikmeesterbestaan gewend geraakt. Elke dag rond 9 uur naar de shop, spulletjes inpakken en klanten helpen in te pakken. Dan nog wat lummelen, Internetten en kletsen en richting de boot. Op de boot een ochtendduik en daarna een fruitsnack. Na de middagduik volgt dan nog wat nakaarten, zonnebaden en opruimen. Een makkelijk en regelmatig bestaan.

Enfin, vandaag bleven onze flippers dus droog. En dat is eigenlijk helemaal niet erg. Ik heb vandaag wat tijd met m’n neus in de boeken gezeten. Er slingeren allerlei leuke boekjes rond in de duikshop vol met info en plaatjes. Judica werd het lummelen rond de middag zat en is in de namiddag nog maar wat gaan snorkelen met Chris en Sara. Dat is het gemakkelijke van zo’n klein tropisch eiland: de zee is altijd op loopafstand.

Omdat we zo’n ordelijk leven leiden is er eigenlijk maar heel weinig te melden. Misschien dus wel leuk om een klein inkijkje in het onderwaterleven te geven. Toen ik voor het eerst ging duiken had ik nogal mijn bedenkingen over het hele onderwatergebeuren. Al die spullen, al dat water boven je, ademhalen onder water… Heel veel vragen en bedenkingen. Inmiddels hebben Judica en ik een hoop bijgeleerd en weten we dat de apparatuur die we gebruiken uitermate veilig en betrouwbaar is. Duiken is door de technische vooruitgang een zeer veilige hobby geworden (wereldwijd gebeurt op slechts 0,04% van de duiken een ongeluk). En ademhalen onder water is eigenlijk lang niet zo moeilijk als ik had gedacht.

Eigenlijk is duiken een soort onderwater tai-chi: de essentie van een goede duik is rust. Snelle bewegingen zijn uit den bozen. Ga mee met de stroming, laat de benen bungelen, de armen vallen en geef de schouders rust. Judica en ik hebben minder hoofdpijn, nekpijn en andere lichamelijke ongemakken dan ooit te voren. Met een uitzondering: mijn hoofd zit vol bulten van het doorlopend stoten tegen de lage deuren en plafonds op de boot. Je kunt natuurlijk niet alles hebben.

Morgen gaan we hopelijk weer het water in, maar de kansen zijn 50/50. De lagers van het roer moeten vervangen worden en omdat de onderdelen daarvoor van het vaste land moeten komen, kunnen de reparaties pas morgenochtend beginnen. Maar veel langer moet het toch niet duren. Ik mis de engelvisjes en de deining van de zee en krijg al wat last van landrot…