1

Gerard, de linkshandige zwabberaar

Om vijf uur ’s morgens moet je Gerard niet wakker maken. Daar houdt hij niet van. Dan is hij nog niet uitgeslapen, nog geen mens. Maar het is zijn lot om elke doordeweekse dag om vijf uur het bed uit te moeten. Aan het werk. Tegen wil en dank.

Gerard was vroeger een graag geziene gast in zijn vriendenkring. Een man vol grote verhalen. Royaal ook. Rondom hem leed niemand armoede. Een chirurg. In zijn hoogtijdagen behoorde hij tot de absolute wereldtop in zijn specialisme. Maar bij een ongelukkig wielrenongeval had hij zijn rechter hand verbrijzeld en daarmee ook zijn loopbaan.

Het is een lange, wat genante geschiedenis die van Gerard de man maakte die nu elke dag om 5 uur zijn bed uit werd gezoemd.

Het is een lange, wat genante geschiedenis die van Gerard de man maakte die nu elke dag om 5 uur zijn bed uit werd gezoemd. Pech, domheid, tegenslag. Het is maar wie je het vraagt. Onvoorzichtige beleggingskeuzes in elk geval. En een vriendin die hij beter uit zijn portemonnee had kunnen houden. Maar ja, gedane zaken nemen geen keer.

Na een haastig ontbijt – we hebben het nu nog altijd over doordeweekse dagen – staat Gerard tegen 6 uur klaar om aan de slag te gaan. Dan duwt hij zijn karretje door de lange gang van een middelbare school. Heet sop klotst in een emmer, de lange slierten van de zwabber swingen als rastahaar nonchalant heen en weer.

Een rechtshandig chirurg wordt zelfs na veel oefenen nooit een heel behendig linkshandig zwabberaar. Misschien dat Gerard meer zijn best had kunnen doen, maar zijn hele ziel en zaligheid had hij al in zijn eerste loopbaan gestopt. Zwabberen moest hij, snijden wílde hij.

Op de maandagochtend waarop we nu zullen inzoomen liep het inmiddels tegen 8 uur en de klus op de middelbare school zat er bijna op. In de hoek van een toiletblok op de tweede verdieping zat een jonge jongen op de grond. Een stanleymes losjes in zijn rechter hand, de mouw van zijn linker arm opgestroopt. Een lege blik.

Vijf minuten eerder en een verbrijzelde hand minder en Gerard had hem het leven kunnen redden. Maar de jongen was nu echt dood. Er lag een flinke plas bloed. Niet de eerste dode die Gerard in zijn leven had gezien. Bij lange na niet. In zijn hele, ofschoon korte, loopbaan als chirurg was het overlijden van een patiënt altijd iets aangrijpends gebleven.

Maar Gerard leefde inmiddels niet meer. Hij was verdwenen. In zijn schoenen liep nu een onhandige poets. Relatief behendig zwabberde hij het bloed bijeen. Het rode rastahaar waste hij eens grondig om dan ook de laatste restjes bloed van de tegelvloer te dweilen. Het water spoelde hij door de wc. Daarna reed hij vlug de kar het berghok in. In het kantoorgebouw een paar straten verder wachtten ruim honderd bureaus op zijn natte lapje.

Een reactie

  1. Noem je dit lichte kost? Ik ben benieuwd naar je zware! 😉

Geef een reactie