0

Vuurtoren, honkbal en plensbui

Na een heerlijke ochtend duiken en een lekkere ‘chicken sandwich’ bij Cool Spot besloten Judica en ik tot verschillende middagprogramma’s. Ik had zin in een wandeling, terwijl Judica meer heil zag in wat qualitytime met haar boek. Zo scheiden zich dus onze wegen. In de Lonely Planet had ik gelezen dat er op dit mini-eiland een oude vuurtoren zou zijn. Dat leek me dan ook een uitstekend doel voor een wandeling. Op de kaart zag het er eenvoudig uit: gewoon het pad vanuit het dorp in noordelijke richting volgen en dan de afslag richting de vuurtoren nemen.

Mijn richtingsgevoel is jammer genoeg niet erg betrouwbaar, dus de vuurtoren ben ik straal voorbij gelopen. Maar het pad zelf was ook al leuk. Er is maar één verhard pad op het eiland en dat was dit pad. Het grootste deel van het pad is gemaakt met stortbeton. Buiten het dorp is men echter begonnen in het vers gestorte beton eenvoudige tekeningen te maken, soms met kleuren en schelpen. Heel leuk om naar te kijken tijdens het wandelen. De omgeving is tropisch en op zich al mooi.

Na een paar minuten wandelen kom ik bij een groot honkbalveld. Het is zondagmiddag en er vindt een wedstrijd plaats. Ik schuif aan op de verassend grote tribune. Honkbal is de nationale sport en is kennelijk zo groot dat men er zelfs op een minuscuul eilandje nog een stadion voor wil bouwen. Fascinerend, ook om te zien hoe goed de jongens zijn. In Kentucky hebben we ook een wedstrijd bijgewoond, maar de Legends daar zouden eenvoudigweg worden afgeslacht door de jonge gasten hier op het eiland.

Na een paar minuten heb ik het wel gezien met de wedstrijd – een groot honkballiefhebber zal ik wel nooit worden – en besluit ik terug te wandelen, op zoek naar de vuurtoren. Ook nu vind ik de goede afslag weer niet. Ik besluit mijn geluk te beproeven en een zijpad richting de oostkant van het eiland in te slaan. Aanvankelijk is dat pad nog tamelijk breed, maar al gauw gaat het over van een bospaadje naar een smal spoor. Teruggaan is natuurlijk geen optie (te trots), dus ik baan mij dapper verder een weg door de woesternij.

Net op het moment dat ik de oceaan in het vizier krijg, begint het te stortregenen. Toen ik in de jungle liep, kon ik door het dak van palmbladeren en bananenbomen de lucht nauwelijks zien; hij was onderwijl echter behoorlijk betrokken. Ik zocht een palmboom om onder te schuilen, maar met weinig effect. De regen kletterde dwars door het bladerdak heen. Na een paar minuten was ik doorweekt.

Na nog een kwartiertje wandelen door de jungle kwam ik een meisje tegen, net nadat ik de Love & Peace farm was gepasseerd. Ik biechte haar op dat ik verdwaald was en ze was vriendelijk genoeg me gerust te stellen en de weg terug te wijzen. Wat verderop stuitte ik op een paar hutjes aan het strand. Een mooi, maar afgelegen lodge. Iemand op het strand wist me te vertellen dat er aan de andere kant van het terrein een pad was dat door de jungle naar het honkbalveld leidde.

Het pad bleek nauwelijks meer dan een uitgesleten spoor, maar bracht me evengoed wel terug naar het honkbalveld. Vanaf daar was het eenvoudig via de weg met de tekeningen het dorp weer te vinden. Later keek ik op de kaart van het eiland en ontdekte ik dat ik zowat het hele eiland had rondgelopen. Tot mijn verbazing bleek het junglepad op de kaart ook echt aangegeven te zijn. Een even opmerkelijk als ook onthutsend gegeven. Alles bij elkaar een mooi, natte wandeling, zonder vuurtoren, maar met bijzondere uitzichten.

1. Een honkbalstadium op een mini-eiland in de Carribean 2. Er is nog best wat publiek 3. En er wordt goed gespeeld 4. Prachtig eiland 5. En veel leven 6. Het pad voert dwars door de jungle 7. Hier en daar een hutje 8. Het weer slaat om 9. En het begint te hozen 10. Echt, met bakken! 11. Het klaart ook snel weer op 12. Pittoresk plaaatje 13. Het pad terug naar het dorp
0

Shark love

Het eiland is een paradijsje. De omgeving (voor het eerst echt in de Caribean), de mensen (en alle talen die op 2 vierkante km gesproken worden), het eten en de bars (Mango colada is echt heerlijk) en het onderwaterleven. We beginnen al een beetje in het ritme te komen, vanmorgen lekker in een bamboedakhutje aan de zee ontbeten en op naar de duikschool. Het is raar om niet te hoeven werken, ik voel me zelfs een beetje schuldig. Zij zorgen dat er volle tanks op de boot komen en leggen de duikspullen voor ons klaar. Het enige wat wij hoeven te doen zijn de loodgordel, vinnen en het masker meenemen. Wat een luxe.

Helaas met een grote groep op pad, het was toch wel luxe op Koh Tao met max 4 pers. per DM. Enfin, onder water is het heerlijk en ik houd afstand van de minder ervaren duikers om te voorkomen dat ik door hun vinnen geraakt wordt. We zien mooie dingen, de duik is goed maar niet echt specatulair… trumpetfish, cowfish en een grote langoeste.

Na een kort interval op het land, waarbij ik puppy ‘Gypsy’ vertroetel vertrekken we weer. Als we in het water liggen en afdalen tikt Michiel me aan, onder ons zwemt een prachtige verpleegsterhaai (nurseshark) en ze blijft ons de hele duik volgen. Ik merk dat ik bijna dezelfde gevoelens voor de haai krijg als ik voor puppies heb. Het verbaast me, want de haai kan ik beter niet aanraken (ivm bacterien van land waartegen ze geen weerstand heeft) en ze luistert ook niet echt. We komen nog een Lionfish tegen; hier zijn lionfish niet zo gewenst, ze eten alle vissen op en halen zo hele riffen leeg totdat er alleen lionfish zijn. Er hangt dan ook een bordje: save the ocean, eat a lionfish. het is een niet inheems vissoort die geen natuurlijke vijanden heeft. Gary (onze DM) verteld ons dat hij probeert om de verpleegsterhaaien de lionfish te laten eten. Vaak nemen ze een speer mee zodat ze de lionfish kunnen doden en voeren ze ze dan aan de haaien (of laten ze achter). Ik kreeg bijna de slappe lach onder water toen Gary probeerde om de verpleegsterhaai met geluid ertoe te bewegen de lionfish op te eten.

Verder nog prachtige roggen gezien en vanavond nog een nachtduik. Nu zitten we heerlijk ontspannen op ons balkon met zeezicht. Het leven is goed, en dan te bedenken dat we over een week alweer thuis zijn. Dus nu nog maar extra genieten en aan mijn kleurtje werken.

0

Naar de haaien

Op Little Corn is maar weinig te doen. Het is een minuscuul eilandje waarop je vooral heerlijk kunt ontspannen. Het heeft mooie stranden, lekker eten en vriendelijke mensen. Ons enige plan voor het eiland is dan ook duiken: veel duiken. We hebben voor elk van de 4 dagen dat we hier zijn 2 duiken geboekt, met nog een extra nachtduik op de tweede dag. Vandaag was de eerste duikdag met als missie: naar de haaien gaan.

We verschenen zoals afgesproken om kwart over 8 bij de duikshop om onze uitrusting te verzamelen en gebrieft te worden over de eerste duik. We gingen duiken met een klein bootje, niet ver van de kust aan de andere kant van het eiland. De duikplek zelf, zo werd verteld, bestond hoofdzakelijk uit zandbodem, maar er werden op die plaats vaak hamerhaaien gezien en de hoop was dan ook die te zien. Na een tochtje van een kwartiertje in het duikbootje, dat zoals alle boten hier een waar snelheidsmonster bleek, kwamen we aan op de beloofde plek.

Aantuigen maar. We waren van Thailand gewend vanaf een grote boot te duiken met ruim voldoende plaats voor iedereen. Op het kleine bootje moesten we inschikken en om beurten onze uitrusting aantrekken. Eenmaal allemaal in het water begon ons avontuur. Zoals voorspeld was er vooral zand te zien. Na een tijdje rondzwemmen vonden we een plekje waar we rustig in het zand gingen zitten, wachtend op de haaien. Na een minuutje of 10 hadden we nog geen haai gezien en besloten we wat verder te zwemmen. Ook daar helaas geen haai. Onverichter zaken gingen we terug aan boord.

Eenmaal terug aan land konden we ons gaan voorbereiden op een tweede duik. Ditmaal niet op zoek naar haaien, maar naar dolfijnen. Eenmaal op de plaats van de duik bleken we ook met de dolfijnen geen geluk te hebben. We konden ze wel horen, maar niet zien. Gelukkig was er meer dan voldoende moois te zien: zo kwamen we een verpleegsterhaai tegen, een grote pijlstaartrog en allerlei exotische vissen, sommige met rare snuiten, andere met hoorntjes.

Na afloop zijn Judica en ik wat gaan eten bij een restaurantje op een koele plek, prozaïsch ‘Cool Spot’ gedoopt. We kregen een verrassend grote sandwich met aardappelfrites. We aten onze buiten goed vol. De mijne was zelfs zo vol dat ik er niet helemaal gerust op was. Hij stond op knappen. Eenmaal terug op de kamer heb ik maar wat rust gehouden en uiteindelijk met een pilletje ingegrepen: ik denk dat ik een beetje te weinig gedronken had en verstopt geraakt was. De rest van de dag heb ik weinig meer gedaan: Judica heeft nog gezellig op een terrasje wat zitten kletsen met een Duitse en wat gesnackt. Tegen het einde van de avond voelde mijn buik een stuk beter en kon ik rustig gaan dromen over de vissen van de volgende dag.

0

Diep ondergedompeld

Zoals verwacht is ons leven sinds het besluit langer op Koh Tao te blijven wat rustiger en minder enerverend geworden. Dat wil zeggen, elke dag op dit eiland is fantastisch en elke duik heeft z’n eigen unieke pareltjes, maar er is niet zoveel om over te schrijven, niet zoveel om te delen. Na vijf dagen zonder tekst en uitleg moesten we toch maar weer eens iets van onszelf laten horen.

De afgelopen dagen zijn we bezig geweest met onze PADI Dive Master training. Niet elke dag betekent dat hard studeren en werken, sommige dagen zijn vooral ook leuk en niet zozeer instructief. Eergisteren heb ik bijvoorbeeld een nachtduik gemaakt. Judica was moe (van het stappen de avond tevoren), dus ik ging alleen. Het is bijzonder om vlak voor zonsondergang van een boot het water in te springen. Eén grote stap en je komt in de schemerende onderwaterwereld terecht.

Onder de deskundige leiding van Ed en Jorrit hebben we een uurtje onderwater doorgebracht. Na onze afsprong werd het al snel donker. Binnen vijftien minuten was het enige licht onderwater dat van onze zaklantaarns. De meeste vissen gaan slapen als het donker wordt, maar andere worden juist actief. We hebben een aantal heel actieve roggen gezien en ook nog twee schattige kogelvissen.

0

Tranquilo

Het was koel vanochtend, toen we wakker werden in Managua. In onze hotelkamer dan wel te verstaan: buiten was het al vroeg warm. De afgelopen weken zijn we min of meer gewend geraakt aan temperaturen van boven de dertig graden, maar nu we een kamer met airconditioning hadden, konden we de verleiding ons leven een paar graden comfortabeler te maken toch niet weerstaan.

Vanochtend hebben we ons klaargemaakt voor de laatste etappe: een weekje paradijs op Little Corn. Omdat we in het kleine vliegtuigje maar weinig bagage konden meenemen, hadden we besloten reistassen te maken en de grote backpacks in het hotel in Managua achter te laten. Opgelucht met zulke kleine rugzakken op pad te kunnen togen we rond half twaalf richting het vliegveld.

De ‘terminal’ voor nationale vluchten bleek zich direct naast die voor de internationale vluchten te bevinden. Waar echter de grote jongens allemaal glimmende gecomputeriseerde balies hebben, bleek La Costeña zich nog altijd van de goede oude traditionele methodes te bedienen. Gelukkig waren we op tijd, zodat we niet in een ellenlange rij terechtkwamen, maar al na een half uurtje ingecheckt konden worden.

Dat inchecken was een amusant gebeuren. Uiteraard moesten we onze bagage afgeven, die keurig werd gewogen en gelabeld (maar niet met een barcode, natuurlijk). Daarna moesten we tot onze verrassing ook zelf op de weegschaal! Kennelijk telt elke kilo. We kregen keurig onze retourtickets uitgereikt, samen met onze boarding pass, een moment van grote hilariteit volgde. Want wat bleek, de boarding pass was niet een of andere computergegenereerde voucher, maar een groot stuk blauw karton met daarop de naam van onze bestemming en een volgnummer: Judica 7 en ik nummer 8. Echt fantastisch en goed voor het milieu. Bovendien raak je die enorme passen ook niet eenvoudig kwijt.

In het foodcourt van de internationale terminal aten we een broodje bij Subways om vervolgens onszelf richting het wachtende vliegtuig te begeven. Eerst nog even door een poortje (dat volgens mij een dummy was en gewoon voor iedereen piepte) om vervolgens bij de ‘gate’ te wachten tot we mochten boarden. Na een uurtje werd onze vlucht omgeroepen en mochten we door de poort naar het vliegtuig.

En daar stond ie dan: een glimmende, tamelijk nieuw ogende Cessna 208 Grand Caravan. Een naam overigens de lading goed dekt, want de kabine bleek van binnen werkelijk niets groter dan een flinke caravan te zijn. Maar erg mooi van binnen. We konden direct in de cockpit kijken (feitelijk gewoon de voorste twee stoelen) en zagen er allemaal vertrouwenswekkende hitec computerschermen.

Taxiën en opstijgen bleek heel eenvoudig. Geen ellenlang manouvreren, maar gewoon gaan met die… caravan. Omdat we vrij langzaam hoogte wonnen en sowieso niet erg hoog konden vliegen, hadden we een prachtig uitzicht op het Nicaragua onder ons. De vlucht duurde niet langer dan anderhalf uur, maar was erg de moeite waard.

Leuk om te zien hoe de piloot en copiloot om beurten hun handen van de knoppen af haalden om zich uit te rekken (soms ook tegelijkertijd) en hoe het vliegtuigje feitelijk zichzelf leek te vliegen. De piloot bleek een ware knoppofiel. Een van onze medepassagiers moest na een uurtje vliegen plots naar de toilet. Hij stond op om naar achteren te lopen, maar had zich duidelijk niet gerealiseerd dat de Grand Caravan geen boordtoilet heeft. Hij pakte daarop uit zijn bagage een plastic zakje en liet daarin zijn ongemak maar wegvloeien. Tot hilariteit en verbazing van de rest van de andere 10 passagiers, overigens.

Na ruim een uur vliegen kwam Big Corn, het grootste van de twee Corn Islands, in zicht. Ook de landing bleek een peulenschilletje en was voorbij voor we er erg in hadden. Waar de terminal in Managua al wat kleinschalig was, bleek de ontvangsthal op Big Corn meer een hutje met een paar deftige meneren (voor zover je die op een Caraïbisch eiland hebt, overigens).

Onze bagage bleek zich op het volgende vliegtuig te bevinden, dat overigens vlak na ons landde en was snel weer in ons bezit. Met hulp van een de vele taxichauffeurs buiten vonden we snel de pier. We hadden overigens dikke pret met hem, omdat we een van zijn rivalen hadden afgetroef. De beste man, met een dikke pens en een felrood t-shirt, probeerde ons tamelijk met de vleiende woorden ‘you are my people’ in zijn taxi te lokken. Hij keek daarbij vervaarlijk naar de andere chauffeurs. We liepen een eindje met hem mee, om hem vervolgens af te troeven door op het laatste moment toch met een ander mee te gaan. Judica, ik en de taxichauffeur hadden er grote schik om. Wat een nare vent, die rooie.

Bij de pier aangekomen was het niet meteen duidelijk welke boot we moesten hebben richting Little Corn. Er lag een grote boot, tamelijk gerieflijk ogend, waarvan we hoopten dat die het zou zijn. Het bleek echter een klein motorbootje, zonder dak. Een uur na de aangegeven tijd vertrok de boot eindelijk. In de tussentijd maakte we het ene na het andere Caraïbische schouwspel mee. Op de boot ontmoetten we ook een duikmeesteres in opleiding die ons morgen mee uit duiken gaat nemen. Ze was al wat aangeschoten en luidruchtig, maar bleek best aardig.

De bootrit was snel. Ofschoon het schuitje er niet naar uitzag, bleek het een heuse speedboot. We stuiterden over de golven, terwijl op de achtergrond de zon langzaam in de Caribean verdween. Net na zonsondergang landden we op de pier van Little Corn om na vijf minuutjes lopen ook onze kamer in te kunnen stappen. Een mooie kamer met uitzicht op de zee.

Bij het avondeten kwamen we onze nieuwe duikmeesteres weer tegen om later bij een kroegje hier niet ver vandaan ook nog wat oude bekenden uit Granada tegen het lijf te lopen. Het is ons al duidelijk: Little Corn is klein, iedereen kent hier iedereen en het motto luidt hier ‘tranquilo’ — rustig aan!

1. Twee enorme boardingpassen 2. Links onze Cessna 3. Van binnen net een busje 4. Klaar om op te stijgen 5. En we zitten in de lucht 6. Onder ons het droge Nicaraguese landschap 7. Happy people 8. Het wachten is op regen 9. Wow! 10. De Caraïbische kust van Nicaragua 11. Onze zeewaardige boot naar Little Corn 12. Een maf zootje 13. Voorop de dompteur die de boot temt 14. Zonsondergang in een speedboot 15. Dat gaat snel!
0

Reizen door Managua

We hebben ons de afgelopen drie dagen niet erg druk gemaakt. Na onze eerste surfdag hebben we nog een tweede poging gedaan. Judica stond wederom een paar keer fier op de plank, maar mij is het helaas niet meer gelukt als een ‘dude’ te surfen. De dag daarna hebben we rustig aan gedaan en ons op het hostel weten te vermaken. Die twee dagen waren feitelijk stilte voor de storm, want ons stond een grote reis te wachten: van San Juan del Sur (zoals de naam al doet vermoeden gelegen in het uiterste zuiden van Nicaragua) naar hoofdstad Managua een stuk noordelijker.

Reizen in Nicaragua is niet moeilijk, maar lijkt in weinig op reizen in Nederland. Treinen zijn er niet evenmin als echte snelwegen. Bijna iedereen reist daarom met de ‘chickenbus’. We hebben nog niet meegemaakt dat er daadwerkelijk kippen op de bus zaten, maar dat het gebeurt is zeker. Chickenbussen zijn oude Canadese/Amerikaanse schoolbussen (van die gele) die in leven worden gehouden met veel inventiviteit en ducttape.

De chickenbus is een groot avontuur. Het begint al met instappen. De bussen rijden vaste routes, maar je kunt aan een bus vaak niet zien waar hij heen gaat. Rondom de bussen lopen dan ook mannetjes die je proberen in een bus te krijgen. Je hoeft enkel je bestemming te noemen om in razend tempo een bus in gewerkt te worden. Onze grote backpacks verdwenen meestal op het dak van de bus.

Of de bussen volgens een bepaalde dienstregeling rijden, is ons nooit duidelijk geworden. Ze rijden in elk geval vaak en snel. De bus vertrekt zodra hij vol is. Tot die tijd lopen allerlei handelaren in en uit de bus om hun waren te verkopen: drankjes, snacks, batterijen, noem het maar op. Als de bus dan eenmaal vertrekt, begint het avontuur pas echt.

Eenmaal een paar minuten onderweg komt eerst de conducteur langs. Op de bus zitten altijd twee mannetjes (en soms ook hun familie): de bestuurder (die vaak wat sullig uit zijn ogen kijkt) en de conducteur. Die laatste is een lenige man die goed met geld overweg kan. Hij haalt bij iedereen razendsnel het bustarief op. Wat dat tarief is, is overigens een mysterie: je noemt je bestemming en hij noemt het bedrag. Het is nooit veel, maar ook nooit duidelijk. Voor een ritje van Rivas naar Managua (ongeveer 2 uur) betaalden we bijvoorbeeld 55 Cordoba (iets minder dan 2 euro).

De chickenbus heeft twee soorten haltes: die met een wachthuisje (uiterst zelfzaam) en willekeurige plekken op straat waar mensen op de wachten. Zodra de conducteur het vermoeden heeft dat er weleens mensen zouden willen opstappen, zwaait hij de deur open en begint luidkeels de bestemming van de bus te roepen. Soms doet de sullige chauffeur ook een duit in het zakje door aan de claxon te trekken. Wie er dan mee wil met de bus, hoeft slechts te zwaaien: de bus maakt dan een noodstop en laat (vol of niet vol) de nieuwe passagiers vriendelijk binnen. Eventuele bagage wordt vaak al rijdend op het dak gehesen. Als een vuistregel kun je stellen dat als je de conducteur niet kunt vinden, hij wel op het dak zal zitten. Je wacht dan gewoon bij de achterdeur tot je hem met een grote zwaai weer terug de bus in ziet komen.

Behalve passagiers stappen er onderweg ook allerhande colporteurs de bus op. Onderweg wordt je van je natje en droogje voorzien door dametjes en iele mannetjes met eten en drinken: ze reizen een paar minuten mee om dan verderop weer uit te stappen. Maar er gebeurt meer. Zo kwam er eens een net geklede vrouw de bus binnen en begon luidkeels en druk gebarend een verhaal. We verstonden er weinig van en begrepen pas wat ze verkocht toen ze boekjes begon uit te delen. Ze verkocht kennelijk een dieet. Iedereen mocht gratis het boekje inzien, maar wie het wilde houden moest betalen.

Op de zelfde manier werden we ook op een preek getrakteerd. Een getuige van Jehova begon ergens halverwege de reis ineens een donderpreek. Hij deelde onderwijl zaadjes uit en later ook envelopjes. Eenmaal klaar met de preek kwam hij weer bij iedereen langs om de envelopjes op te halen. Kennelijk was het de bedoeling dat de mensen de zaadjes in de envelop deden en er wat geld bij zouden steken om de zaadjes snel te doen ontkiemen (en de getuige aan een leuke dag te helpen). Tot onze verbazing gaf bijna iedereen royaal.

De meest aandoenlijke colporteur was nog wel een jongetje van een jaar of 12 die met een kleine gitaar haastig een plekje in het gangpad zocht en met een honingzoet stemgeluid traditionele liedjes begon te zingen. Na een minuut of vijf ging hij haastig met zijn hand langs om muntjes bij mensen op te halen: ook nu werd weer gul gegeven.

Behalve de chickenbussen zijn er nog wat kleinschaligere vervoersopties. Zo zijn er natuurlijk de taxi’s die je voor een appel en een ei rondrijden. Op lokale trajecten rijden ook micro-busses: volkswagenbusjes zonder kippen, maar verder eigenlijk kleine chickenbussen. In de steden zie je daarnaast nog vaak fietstaxi’s, motortaxi’s en andere geïmproviseerde mini-taxi’s. Altijd goedkoop en zelden veilig.

Vandaag gaan we vliegen. Binnen Nicaragua worden door één maatschappij vluchten vanaf Managua naar een aantal binnenlandse bestemmingen aangeboden. Er wordt gevlogen met oude landbouwvliegtuigjes van Cesna. Wij vliegen op die manier naar de Corn Islands aan de Caraïbische kust. Heel benieuwd naar de outfits van de stewardessen op die vlucht.

Overigens staat ons wel een luxe weekje te wachten. We verblijven in een hutje op het strand van het kleinste van de twee maïseilanden: Little Corn. Het eiland is slechts een paar vierkante kilometer lang en is verboden terrein voor auto’s. Stroom is er soms en zon altijd. We zijn van plan elke dag te gaan duiken en het prachtige onderwaterleven te genieten. Er zouden dolfijnen moeten zijn, hamerhaaien, manta’s en wat dies meer zij. Ongetwijfeld prachtig.

1. Microbusje 2. Best gerieflijk 3. Bushalte 4. Chickenbus
0

Water en paarden

Wat doe je op een tropisch paradeiland? De hele dag in een hangmat liggen? Cocktails drinken en wat pootje baden op het strand? We hadden behoefte aan iets wat actievers, ofschoon niet té actief, want daar is een tropisch eiland natuurlijk veel te warm voor. We kozen voor een wandeling naar de waterval alhier. Deels te voet, deels te paard. En dat bleek geen slecht idee!

Het eerste deel van de tocht was de voetreis naar de ingang van het natuurpark waartoe de waterval behoort. Op de kaart een kippeneindje, maar in werkelijkheid nog best een stevige wandeling langs de kust. Al wandelend kwamen we groepjes koeien, stieren en paarden tegen. Na een uurtje, toen we de moed al bijna hadden opgegeven, vonden we de ingang van het park. Onze reservering voor twee paarden was niet goed doorgekomen, maar gelukkig waren er evengoed twee paarden. Halen en opzadelen van de paarden duurde een uurtje.

Mijn paard was een buitenlander, een statige kwartbloed, terwijl het paard van Judica duidelijk een local was: compacter en wit gevlekt. De weg naar boven was behoorlijk pittig voor de paarden. Na 3 kilometer waren ze letterlijk kletsnat van het zweet. Niet verwonderlijk ook, want de wandeling was goeddeels in de open zon bij een graad of 35.

Het laatste stukje van de wandeling was er niet langer een weg, maar slechts een rotsachtig pad. De paarden konden ons daar nog een heel eind op dragen, tot het pad echt te smal werd en we te voet verder liepen. We klommen over rotsblokken en kruisten regelmatig de rivier (die overigens in afwachting van de regentijd kurkdroog stond). Na 20 minuten stevig doorstappen bereikten we de waterval. Omdat we aan het einde van de droge tijd zitten, was de waterval fors afgeslankt, maar nog steeds heel indrukwekkend. Het water, afkomstig uit de lagune in de vulkaankrater, valt van bijna 200 meter hoogte recht naar beneden. We koelden ons gretig met het koude water onder de vulkaan.

De weg terug was makkelijker en we waren erg blij de hulp van onze viervoeters te hebben. Onderweg naar boven waren we wat dappere tweevoeters tegengekomen die het hele eind naar boven waren komen lopen. Vrolijk waren ze bepaald niet meer, terwijl wij afgezien van een houten kont ons kiplekker voelden.

Gelukkig hadden we geregeld door de paarden terug naar de Haciënda gereden te worden, zodat we gezellig en vooral ook gerieflijk samen terug konden gaan. Inmiddels was het tegen vieren geworden. Om ons af te koelen sprongen we van de pier in het koele meerwater om de rest van de middag in ledigheid in een hangmat door te brengen. Het goede leven!

‘s Avonds schoven we aan bij het buffet. De keukendames hier hadden een buffet met zeker 10 heerlijke gerechten gekookt en we genoten er met volle teugen van. Na afloop ben ik nog met wat mensen naar een klein barretje buiten de compound gelopen, terwijl Judica op de Haciënda achterbleef. We bleken de eerste gasten van de bar te zijn en trakteerden onszelf op een mooie fles bruine rum en 2 liter cola om het mee te verdunnen. Een mooi en smakelijk einde van een fantastische dag op dit paradeiland!

1. Een paar dorstige runderen 2. Wachten tot de paarden gehaald zijn 3. Het eerste stuk is vlak 4. Het 1 maand oude veulentje mag mee met mama 5. Cowbow 6. Mooi uitzicht richting meer 7. Het pad wordt smaller 8. Het laatste stuk moet te voet 9. Poeh! 10. Beloning 11. 180 meter hoog 12. En lekker koel 13. Prachtig ook 14. Na de rit zijn we alle dorstig 15. Terug naar huis

 

0

Twee dagen het schip in

De afgelopen twee dagen stonden in het teken van water; van varen op het water, om precies te zijn. Afgelopen dinsdag was onze eerste en enige volledige dag in Granada. De stad zelf is prachtig, maar best snel door te wandelen. Net buiten de stad ligt echter een groep van (naar verluid 365) mini-eilandjes die alleen vanuit een bootje te zien zijn.

Met een taxi reden we daarom vanuit ons hostel naar het Centro Turistico, een soort groot stadspark even buiten het centrum. Het park ligt aan het water en het wemelt er dan ook van mannen met bootjes die een tochtje naar de ‘Isletas’ aanbieden. De eerste man die we spraken wilde wel erg veel geld zien, dus we liepen wat verder en vonden een meneer met redelijkere ideeën. Hij vertrok direct, zonder op meer mensen te wachten.

Het bootje werd met wat hulp van omstanders van het strand getrokken, terwijl wij als pascha’s in het bootje mochten blijven zitten. Behalve de gids was er ook een stuurman aan boord van het kleine bootje, dat verder aan zo’n 10 touristen plaats zou kunnen bieden. In de schaduw van het afdakje gezeten genoten we van de rondvaart.

De eilandjes bleken voor het merendeel bewoond: op sommige isletas stonden kapitale villa’s, maar er waren er ook met slechts een hutje. Na 3 kwartier kwamen we in een gebied terecht waar geen andere bootjes meer te bekennen waren: dat deel bleek ook een stuk ongerepter. We zagen er bijzondere vogels (waaronder een pelikaan en vogels die bizarre hangende nesten maakten) en zowaar ook een schildpad. Alles bij elkaar een prachtige rondvaart waar we beiden veel plezier van beleefden.

De rest van de dag hebben we wat in Granada rondgelopen, van het zwembad in ons hostel gebruik gemaakt en ‘s avonds wat gegeten op de lokale restaurantboulevard. Daarna bijtijds naar bed…

Woensdagochtend waren we al vroeg uit de veren: de grote reis naar Isla de Ometepe stond op het programma. Het dubbele vulkaaneiland ligt midden in het meer van Nicaragua, een enorme binnenzee in het zuiden van Nicaragua. Vanuit het Zuiderlijke busstation van Granada namen we een chickenbus (zonder kippen, overigens) naar Rivas, om daar vandaan samen met twee andere touristen een taxi naar het havenstadje San Jorge te nemen.

Met een tamelijk luxe veerboot konden we snel en gerieflijk de overtocht maken naar Isla de Ometepe. De kajuit beneden was airconditioned en had hele lekkere stoelen. Door de ramen zagen we langzaam het eiland en de beide vulkanen erop groter worden. De grootste van de twee vulkanen, de Concepcion, is nog altijd actief. Een wolkje rook boven de krater dient als bewijs.

Eenmaal aangekomen op Moyagalpa, het grootste dorp op het 42.000 inwonders tellende eiland, wachtte ons de laatste etappe naar ons hostel, Haciënda Mérida: een taxibusje. De wegen op het meer ontwikkelde westelijke deel van het eiland (onder de actieve vulkaan) waren uitstekend. We kwamen zelfs een landingsbaan in aanleg tegen. Eenmaal op de oostelijke helft aangekomen veranderden de strak beklinkerde wegen direct in hobbelige zandpaadjes. Het laatste stuk van de reis was maar kort, maar duurde door de slechts weg dubbel zo lang.

De haciënda bleek een ware idylle aan het meer. Onze kamer bevindt zich op de eerste verdieping en heeft een eigen veranda (met mega-hangmat!). Het uitzicht is fantastisch en de mensen zijn vriendelijk.

‘s Avonds hebben we met wat andere gasten nog gezellig zitten kletsen. Tegen een uur of 10 konden we niet langer weerstand bieden aan het aanlokkelijke idee van een verkoelende duik en zijn we nog een paar baantjes in het meer gaan trekken. Heerlijk en prachtig, zwemmen op een door de maan verlicht meer vol met reflecties van de sterrenhemel er boven.

1. In de boot, net op weg naar de Isletas 2. Een oud fort om Granada tegen piraten te beschermen 3. Prachtige ligging voor een fort 4. Mini-mini-eilandjes 5. Eén eiland heeft wel heel schattige bewoners 6. Op de achtergrond de Mombacho vulkaan 7. Een pelikaan 8. Groene vlaktes van drijvende bloemen 9. Hangende vogelnesten 10. Een witte reiger 11. Op de kade naar Ometepe 12. De veerboot komt net aan 13. Taxireis naar de Haciënda 14. De Concepcion, rokend en wel 15. Een warm welkom 16. Onze veranda 17. Uitzicht 18. Een frisse duik 19. Even opwarmen 20. Zonsondergang
0

Vulkaan Masaya op uitbarsten?

Gisteren hoorden we van mensen in het hostel dat de vulkaan van Masaya op uitbarsten lijkt te staan. Toen wij er waren kwam er al veel rook uit de vulkaan en was er een hard rommelend geluid hoorbaar. Kennelijk zijn er afgelopen zondag as en stenen uit de vulkaan omhoog geschoten. Voor de autoriteiten voldoende reden om het gebied rondom de vulkaan af te sluiten en de boel nauwlettend in de gaten te houden. Raar hoor!

0

As, lava en vleermuizen

Net na zonsondergang stonden we op de rand van een vulkaan. De lucht is dik van de zwaveldamp en rook die uit de diepte opborrelt. Diep beneden ons is een oranje schijnsel te zien: er loopt nog altijd lava door de krater.

Na een ochtend hard studeren op ons Spaans, zijn we om een uur of 3 met de Mariposa microbus naar de vulkaan van Masaya gereden. Onderweg stopten we kort even om geld te pinnen bij een grote supermarkt. We verbaasden ons over het feit dat de machine alleen 500 Cordoba biljetten (ongeveer 17 euro) uitgeven, terwijl feitelijk niemand in Nicaragua die wil aannemen.

Op de vulkaan wachtte ons een uitgebreid programma. Het bezoekerscentrum fungeerde meteen als een museum. Tot mijn verrassing bleek het museum erg goed ingericht te zijn. Alle teksten waren behalve in het Spaans ook in het Engels uitgevoerd en voorzien van mooie illustraties en maquettes. Een van de  maquettes liet zien dat Nicaragua feitelijk van het noord-westen tot het zuiden bestaat uit een hele keten vulkanen. Door die vulkanen zijn Noord– en Zuid-Amerika aan elkaar vastgegroeid.

Een half uurtje later werden we met het busje naar boven gebracht, tot vlak bij de rand van de grootste krater. De krater was werkelijk fantastisch om te zien: anders dan bij bergen ging bij deze krater de wand direct na de rand meteen stijl omlaag. En vanuit het onderste klonk een doorlopend gerommel dat vergezeld ging van veel stoom en zwaveldamp.

Een vreemd oord dus. Zelfs zo vreemd, dat een van de eerste Spanjaarden, een priester, die de vulkaan zag meteen opdracht gaf om er een groot kruis bij te zetten, om zo te voorkomen dat uit dit hellegat allerlei demonische wezens zouden kruipen. Het klinkt als een vreemd verhaal, maar als je bij de rand van die vulkaan staat, dringt zich toch de vraag aan je op wat voor nare wezens daar beneden zouden wonen…

Na de hoofdkrater volgde een wandeling naar twee oudere kraters. Die twee lagen een stuk hoger, dus we moesten een eindje klimmen. Het uitzicht vanaf die hoogte was dubbel en dwars alle zweetdruppels waard: sowieso was het bizar om zo dicht bij de rand van een oude vulkaan naar beneden te kunnen staren, maar ook het uitzicht op de omgeving was buitengewoon. In de verte was de stad Masaya te zien, terwijl dichterbij ook het meer van Masaya, waarschijnlijk een oude, volgelopen vulkaan, duidelijk zichtbaar was.

De zon stond inmiddels op het punt om onder te gaan. Op een drafje gingen we daarom richting twee grotten. Die grotten stonden nog altijd in directe verbinding met de hoofdkrater en het rook er dan ook wat raar. De grootste van de twee grotten was hoog genoeg om in te lopen. Gewapend met twee zaklampen doken we de duisternis in. We vonden in de grot de bizarre sporen die lava achterlaat en een hoop babyvleermuisjes.

Eenmaal terug uit de grot was het buiten donker geworden. We begrepen dat dit het moment was dat uit de andere, kleinere grot de vleermuizen zouden wegvliegen op weg naar een avondmaal. In afwachting van die grote uittocht gingen we keurig, alsof we in een bus zaten, voor de ingang van de grot zitten. Onze gids zat zo dicht op de grot dat ze de ingang bijna blokkeerde. Na een minuutje of wat begonnen de vleermuizen daadwerkelijk naar buiten te komen. Ze kwamen niet in enorme groepen, maar het was evengoed een hoop gefladder.

Een wandeling terug naar onze microbus reste nog tot het einde van onze vulkaanervaring. Of… dat dachten we. Voordat we definitief naar huis gingen stopten we namelijk nog kort bij de rand van de hoofdkrater. De duisternis bleek een nieuw tafereel te onthullen: over de rand van de krater zagen we het oranje schijnsel van gloeiend heet lava. Wow!