0

Onder de palmen

Gisteravond rond 8 uur zijn we geland op het vliegveld van Managua. Tijdens de vlucht hebben we geprobeerd onszelf nog wat in te lezen over de lokale gebruiken.  Zo vroegen we ons bijvoorbeeld af hoe we van het vliegveld naar ons hotel zouden komen. Per taxi, dachten we, maar hoe? En wat moest dat dan kosten?

Het ‘hoe’-deel van die vraag loste zich vanzelf op. Eenmaal door de douane werden we overspoeld door chauffeurs in gele shirts die ons op niet al te opdringerige toon hun taxi probeerden aan te prijzen. We hebben er een paar afgewezen, om na het opnemen van een paar broodnodige Cordoba’s toch maar te zwichten. De prijs verraste ons alleen wel een beetje: 20 dollar voor een ritje naar het hotel! We probeerden nog wat te onderhandelen, maar door vermoeidheid overmand gaven we het uiteindelijk maar op. De beste man bleek een gloednieuwe auto te rijden en reed ons keurig netjes naar het hotel. Later lazen we in de Lonely Planet dat zijn prijs feitelijk heel redelijk was, zeker gegeven de hoge benzineprijzen van het moment (ongeveer 30 Cordoba, ofwel 1 euro per liter).

Nu zit ik op het terras van ons hotelrestaurant. Het is hier behoorlijk warm, zo’n 30 graden, en een ware idylle. Er staan grote palmbomen rondom het zwembad en het dak dat me hier tegen de zon beschermt is van palmbladen gemaakt.

Vandaag is plannensmeeddag. Met dank aan Judica’s vindingrijkheid hebben we een lodge in het naburige Masaya gevonden waar we Spaanse les kunnen krijgen, paard kunnen rijden en allerlei mooie dingen kunnen zien. Dat klinkt lang niet slecht; zaak is nu om vandaag er achter te komen hoe we daar kunnen komen. Masaya lijkt niet ver weg te liggen, maar de Lonely Planet waarschuwde al dat busstations hier anders zijn dan thuis. En waar is het busstation eigenlijk?  En hoe komen we daar dan? Enfin, we houden onszelf vandaag nog wel even bezig, als het niet met plannen smeden is, dan wel met poedelen en zonnebaden…

1. Ons zwembad 2. Restaurantje 3. Niet slecht

Malaka Sentral

Lieve Webblogvrienden, hier een bericht vanaf Melaka Sentral. Ik zit hier op een grasgroen plastic kuipstoeltje voor het plaatselijke filiaal van McDonalds. Onze bepakking staat achter me in een hoek en ik wacht op Judica. Ze is net naar een busticketbureau gegaan om tickets naar Singapore voor overmorgen te regelen. Geen idee hoe lang dat nog duurt, maar een sinecure is het zeker niet.

Een kort verhaaltje over onze busreis vanaf KL naar Malaka vanochtend: ruim op tijd hebben we onze kamer deze morgen ontruimd. Het was bepaald geen grote kamer, dus het was wat passen en meten om die grote backpacks en onszelf tegelijk een prominente plaats in de kamer te kunnen geven. Maar dat lukte. Bij de 7-eleven weer ontbijt gehaald (kaya– en chocoladebroodjes) en meteen doorgestiefeld naar de halte van de shuttlebus die ons bij het tijdelijke ‘interstate bustation’ zou brengen. Tot zover ging alles soepel. De bus kwam ook nog netjes aan, maar eenmaal  op het busstation ging het helaas toch een beetje mis.

Ik zal jullie niet te lang in spanning houden en niet om de hete brei heen draaien: hoeveel dingen er ook mis gaan, de dingen die niet gaan zoals gepland, die rieken naar oplichting of op dommigheid neerkomen zijn toch het interessantst om te lezen. Enfin, we zijn opgelicht. De buskaartjes die we een paar dagen terug op hetzelfde busstation kochten bij ‘kaunter’ 52 bleken vanochtend bij counter 24 precies helemaal niets waard.

De vrouw die ons de vorige keer had geholpen (en die door hoor collega in het Maleis achteraf gezien kennelijk werd veracht om wat ze deed) bleek nogal te hebben gegoocheld en het feit dat er vanochtend niemand bij loketje 52 zat (het zijn overigens allemaal kleine onderneminkjes; achter elk hokje gaat een ander privaat busbedrijfje schuil) maakte ons al snel pijnlijk duidelijk dat er enige opzet in het spel geweest moet zijn.

Na wat boosheid te hebben geventileerd uiteindelijk toch maar tot constructieve actie overgegaan. Op het geïmproviseerde megabusstation was ook een politiepost aanwezig en na enig aandringen was een van de geuniformeerde vrienden bereid te zaak voor ons tot op de bodem uit te zoeken. Wij zelf hadden al behoorlijk wat van de plaatselijke kastjes en muren gezien en met enige opluchting merkten we dat ook oom agent schaamteloos werd rondgestuurd. Toen ook hij het zat was, sloeg hij met de spreekwoordelijke vuist op de tafel van balie 24 en eiste van hen, ofschoon hullie in alle toonaarden betrokkenheid ontkenden, dat ze voor een oplossing zouden zorgen. Dit alles uiteraard in het Maleis. Eindresultaat: na bijbetaling van 6 ringgit konden we alsnog op de bus en nog wel een half uur eerder dan gepland. Wij blij.

Een uur of drie later zit ik nu op het busstation van Melaka en gelukkig is er gelijk nog een tegenvaller te incasseren: we hadden graag overmorgen met de bus naar Singapore gereisd, zodat we nog een volle dag in Melaka zouden hebben, maar er blijken geen kaartjes meer beschikbaar te zijn. Gevolg is dat we nu al morgenmiddaag om 2 uur vertrekken. Dat laat ons maar weinig tijd. Maar niet getreurd: we maken er het beste wel weer van. We zijn al in Malaka aangekomen en dat is al lang niet zo vanzelfsprekend gebleken als gedacht.

Klein paradijs

Na een paar onverwachts leuke dagen in Bang Kok was het gisteravond weer eens afscheidtijd. Het reisbureau waarmee we ook naar Bangkok reisden, kon ons ook een combinatieticket bus-boot naar Koh Tao aanbieden. Om zes uur gisteravond stapten we dus op de bus naar ons kleine paradeiland aan de oostkust van Thailand. Noordelijker gelegen dan Koh Phangang en Koh Samui was de voorspelling dat de reis niet lang zou duren en we ‘s ochtends al rond 9 uur zouden aankomen.

De reis bleek inderdaad heel kort. Rond half 8 gisteravond vertrokken we met iedereen vanuit Bangkok. Om half drie vannacht (!) werden we uit de bus gezet bij het veer naar Koh Tao. Nogal vroeg dus. Tot onze verbijstering vertrok het veer echter pas om 7 uur ‘s ochtends en moesten we nog ruim 4 uur wachten. We hebben dus maar wat geprobeerd te slapen op de picknictafels aan de kade. Maar goed, dat kleine avontuurtje daargelaten verliep alles verder voorspoedig. Het eiland is prachtig, met palmbomen en azuurblauwe baaien.

Om alle proppers van de diverse duikscholen op het eiland te ontlopen zijn we direct vanaf de boot een internetcafe in gevlucht en hebben we op Internet het telefoonnummer van de Nederlandse duikschoolhouder die Judica eerder al had gecontact opgezocht. Met ons kraaknieuwe, in Bangkok gekochte Thaise telefoonnummer hebben we de man (Robert) opgebeld en voor we het wisten stond hij al voor de deur van het cafe. Een hele aardige man die rust en betrouwbaarheid uitstraalt. Niet onbelangrijk.

Duikcursussen hebben op het eiland tamelijk vaste prijzen, maar als bonus kon Robert ons ook drie gratis overnachtingen per geboekte cursus aanbieden. Daar konden we geen nee op zeggen natuurlijk, zeker ook omdat de huisjes er heel leuk uit zien en ook na de cursus nog beschikbaar zijn. Judica gaat sowieso de cursus doen en als de eerste dag bevalt, doe ik hem ook helemaal. Dat betekent dat we dan in elk geval 7 dagen op dit prachtige eiland zijn. Maar ik vermoed dat daar nog wel wat daagjes bij zullen komen…

Busmoe

“U maakt een prachtige rit van de voormalige hoofdstad van het Lao rijk naar de voormalige hoofdstad van Siam. Bij de grens aangekomen wordt u met een slowboat naar de overkant gevoerd, alwaar een comfortabele mini-bus u zal opwachten. Een reis die garant staat voor een dag fantastisch touren.” Enfin, zo had onze tocht van Luang Prabang (Laos) naar Chiang Mai (Thailand) in de boekjes kunnen staan. In werkelijkheid was de reis niet alleen mooi, maar vooral ook vermoeiend.

We vertrokken gisteravond om kwart over zes vanaf het reisbureau en kwamen vandaag om kwart over 5 aan bij ons hotel in Chiang Mai. Dat zijn 23 uur in de bus, tuk-tuk, slowboat en mini-van. Judica heeft gelukkig vannacht goed kunnen slapen in de — overigens zeer comfortabele — VIP bus naar de Thaise grens. Mijn nacht was wat langer, helaas.

Overigens hadden we vannacht voor het eerst pech met een bus. Buspech, wel te verstaan. Een van de banden was kennelijk lek geraakt en moest in het holst van de nacht worden vervangen. Ik werd wakker toen ik merkte dat de bus op een krik gezet werd en er na een paar keer pompen vanaf kukelde. Wat er precies mis ging weet ik niet, maar het duurde de ‘technici’ 2 uur om de band vervangen te krijgen. Amateurs…

Ook bij de Lao-Thaise grens hebben we ons kostelijk kunnen vermaken: onze bus bleek tot het busstation te rijden, terwijl we met een boot moesten oversteken naar Thailand. De diensten van een tuk-tuk waren dus nodig om ons bij het water te krijgen. Een grenspost aan het water is een vreemde aangelegenheid, zeker op de manier waarop men dat in deze regionen aanpakt. Niks grote, indrukwekkende gebouwen, niks slagbomen. Gewoon een klein loketje en een bootje dat niet vertrekt zonder goedkeuring van de beamten. Zo simpel kan een grensovergang ook zijn. In Thailand aangekomen werden onze visa afgestempeld en waren we toch erg blij dat we die al van tevoren geregeld hadden: andere reizigers moesten hun visa aan de grens aanvragen en kregen er maar een voor 15 dagen, terwijl wij 60 dagen mogen blijven.

De ventilator boven ons hotelbed draait nu op volle touren. We zijn maar gewoon voor het hotel gegaan waar onze mini-van ons heeft afgezet. We hadden best wat kunnen gaan shoppen, maar eerlijk gezegd waren we daar te moe voor en konden we voor de prijs van 250 baht (€6,15) waarschijnlijk niet veel beters krijgen. Want: we hebben hier een ruime kamer, zwembad, draadloos Internet en een baliejuf die een paar woordjes Nederlands spreekt. Zo opvallend hoeveel meer moeite men hier doet om gastvrij te zijn en touristen een beetje te paaien. Het ziet er dan ook naar uit dat we hier veel plezier zullen beleven.

VIPs

De ochtend die ons vertrek vanuit feestdorp Vang Vieng aankondigde was een bewolkte, eerder dan een zonnige. Het was alsof het dorp rouwde om ons vertrek. Dat is natuurlijk een hoogmoedige gedachte, maar het hielp zeker het vertrek draaglijker te maken. Ons laatste VV-ontbijt was uitgebreider dan de ochtenden tevoren: Judica waagde zich aan een Amerikaans ontbijt (baguette, omelet, patat, maar zonder bacon) en ik genoot een ‘continentaal ontbijt’ (een baguette met jam). Een fruithapje en dito shake erbij maakte het geheel tot een machtige maaltijd.

De bus die ons naar Luang Prabang moest brengen liet een beetje op zich wachten. Alle bussen die vanuit Vang Vieng te krijgen waren werden als VIP bussen verkocht, dus we verwachten heel wat. De rammelige oude bus (zonder a/c) die we kregen stelde dan ook iets teleur, maar voldeed verder prima. De waarschuwing die ons de Lonely Planet meegaf over de reis zelf bleek echter geen overdrijving. Het advies luidde: mensen met wagenziekte dienen beslist voorzorgsmaatregelen te nemen. De weg voerde in zijn volle 240 kilometer uitsluitend over kronkelige bergwegen. Nu, in Luang Prabang aangekomen, kunnen we geen haarspeldbocht meer zien! De rit duurde 8 uur en bood weinig kansen voor een dutje door het onafgebroken deinen van het VIP-vehikel.

Overigens was de rit zelf prachtig, juist ook door alle bergpassages. De weg voerde ons langs wonderschone uitzichten, aanvankelijk op karstbergen, later ook op wat minder grillige bergen. Karstbergen zijn een wonder op zich: sommige steken gewoonweg recht uit de grond de lucht in, anderen hebben scherpe randen en grillige wanden. De bergen werden hoger naarmate we Luang Prabang naderden. Soms leek het landschap op een groen laken waaronder lucht was geblazen, zodat overal hobbels en grillige bulten waren verschenen.

Rond vijf uur vanmiddag kwamen we hier uiteindelijk aan. Onderweg maakten we nog twee stops om wat te eten, maar veel trek hadden we door al het gehotseknots natuurlijk niet. Eten stond bij aankomst dan ook nog niet hoog op de agenda, wel een lekker stabiel, onbeweeglijk bed. Dat vonden we uiteindelijk na wat zoeken in een klein, maar gezellig en allervriendelijkst guesthouse. Voor 6 euro verblijven we nu ongekoeld in een licht claustrofobische kamer – maar met douchegordijn!

Overigens is de stad zelf prachtig. In het laatste uurtje daglicht dat de voormalig koninklijke nederzetting overgoot hadden we dat al snel door. De stad ligt op het schiereiland dat wordt gevormd door een rivier die in de machtige Mekong vloeit. De sfeer is warm, mede door de vele in Franse stijl gebouwde huisjes, de knusse straten en de overvloed aan Mekong-terrasjes. In de halfschemering hebben we, aan de waterkant van de Mekong, nog romantisch gedineerd. Schilderachtig mooi. Enfin, we redden ons hier dus wel even. Misschien niet als VIPs, maar zeker wel als gewone backpackende stervelingen.

Jetzt geht’s Laos

Lieve vrienden, familie, andere bekenden. Met permissie van de partij en de politie kan ik u mededelen dat we hedenmorgen in de democratische republiek Laos zijn ontvangen. Uiteraard niets dan positieve berichten, fantastische mensen, prachtige bouwwerken. Kortom, let’s cut the crap…

Het valt een klein beetje tegen, eigenlijk. Laos is een prachtig land, maar Savannakhet is niet helemaal de stad die we ons hadden voorgesteld. We zijn gewoon verwend. Na meer dan een maand Vietnam met zijn stuiterende economie zijn we een beetje vergeten dat er ook landen zijn met een iets minder knetterende situatie. Weliswaar zijn we op de brommer in Vietnam best een paar rustige, kleine plaatsjes tegengekomen, maar dat waren geen provinciehoofdsteden. Savannakhet is dat wel.

In deze stad is geen hoogbouw te bekennen. De katholieke kerk steekt met zijn toren dan ook ver boven de rest uit. Dat is mooi. Maar het is stil op straat. Omdat Savannakhet aan de Mekong rivier ligt en die rivier tevens de grens met Thailand markeert, hebben we hier vanaf de oever uitzicht op de Thaise stad aan de overkant. Dat ziet er meer uit als een levendige, rijke stad. Maar ze hebben vast geen barbecues aan de oever.

Nog even terug naar de gebeurtenissen van vandaag en gisteren. Onze hoofdactiviteit gisteren was ontspannen. Dat hebben we gedaan door te genieten van de airco op de hotelkamer, deftig uit eten te gaan en een paar buskaartjes naar Laos te kopen. We hadden van Sylvia, die ons een paar dagen op onze reis vergezelde, horrorverhalen gehoord over haar busreis naar Ninh Binh (ken je die grap van de bus naar Ninh Binh? Die ging niet!). Ze stond midden in de nacht stil langs de snelweg, de bus kapot en de chauffeur op zijn veldbedje. Niet goed. Enfin, wij zijn dus voor een wat luxere bus gegaan, gewoon voor de zekerheid. 18 dollar per persoon. Dat is veel geld.

De bus viel uiteraard wat tegen. We verwachtten iets heel luxe, maar kregen gewoon een mooie Laotiaanse bus. Met airco hoor, maar gewoon net wat anders. Er lagen bijvoorbeeld pompoenen in het bagageruim. Mijn tas kon er maar net bij. De rit duurde wat langer dan verwacht en de afhandeling aan de grens was een beetje stressvol. Geen vriendelijke mensen daar (maar dat wisten we nog van ons vorige bezoek aan Lao Bao) en we konden er makkelijk een hoop dollars kwijt voor visa en stempels.

En dan ons guesthouse: het werd aanbevolen door de Lonely Planet, een jaartje of wat geleden. Het is sfeervol, op zijn eigen Lao manier, maar niet overdreven luxe. De mensen zijn erg vriendelijk (en spreken Engels!) en we hebben zowaar een grote kamer met airco en een warme douche. Over het vogelnest in de raamsponning praten we gewoon niet.

Nu eerst maar eens op zoek naar eten; wat acclimatiseren. Dan terug naar de kamer. Misschien nog een praatje en dan op een oor rustig alle indrukken verwerken. We zijn in Laos en hier gaat het loos! Geen idee nog wat we morgen doen, maar ik vermoed dat we maar eens rustig een dagje op de motorfiets de omgeving gaan verkennen. Maar wie weet wordt het wel iets heel anders. We zijn immers in Laos, het land van de onbegrensde mogelijkheden (de partij leest mee).

Oh, nog een informatiefje: we zitten nu in een Internetcafe. Geen WiFi op onze kamer, natuurlijk. We zullen daarom waarschijnlijk niet elke dag iets van ons laten horen en spaarzaam zijn met de foto’s. Geen zorgen maken dus!

Eigen plek

Vaker dan me lief is merk ik dat dingen voor mij liefst een eigen plek moeten hebben. Een slecht, maar daarom niet minder noemenswaardig voorbeeld is bijvoorbeeld mijn fiets. Ik vind het fijn als mijn fiets zijn eigen plek heeft en houdt. Vandaag bijvoorbeeld, kwam ik na mijn werk uit de bus, om vervolgens 5 goede minuten te moeten spenderen aan het zoeken naar mijn fiets.

Het busstation van ‘s-Gravendeel is, zo weten slechts weinigen, weinig meer dan een bypass in de toch al niet zo heel drukke hoofdstraat van het dorp. Behalve twee haltehokjes vind je er nog drie fietsenrekken. In het linker rek had ik vanochtend mijn fiets gezet. Niet zo solide, maar half in het rek (want haastige spoed), maar voldoende voor een dagje, dunkte mij. Vanmiddag was hij dus weg.

Na veel turen en kraken vond ik uiteindelijk mijn fiets, nonchalant leunend tegen het bushokje voor de lijnen richting Dordrecht. Wat deed hij daar? Het slot zat er nog altijd op en zelfs zonder dat slot zou mijn fiets — het is niet echt een avonturier — vast niet zo ver van zijn eigen plekje zijn afgedwaald. Iemand heeft mijn fiets verplaatst!

Nog 22 dagen van onze wereldreis verwijderd, is de zorg nu eerder dat ik die eigen plaats van dingen zo belangrijk vind, dan dat ik me wezenlijk opgelaten voel door de geamuseerde blik van het tienermeisje in het bushokje aan de overkant. Hoeveel eigen plek krijg je op een wereldreis? 80 liter, of zoveel als er werkelijk in mijn rugzak past. Te klein voor een fiets, in elk geval…