Kuang Si je weer

We zijn al in Thailand maar hebben niets geschreven over wat we gisteren nog hebben gedaan voordat we op de bus stapten.

De watervallen van Kuang Si waren zo betoverend dat ik graag nog een keer terug wilde. Gistermiddag hebben we samen met wat andere toeristen een tuk tuk gepakt en zijn erheen gereden.

Deze keer zijn we helemaal naar boven gelopen naar een ‘geheim’ poeltje. Hiervoor moesten en een ‘track’ ofwel spoor vinden wat naar het poeltje liep. Het was niet zo makkelijk want het spoor liep door/ over een watertje maar toen we er eenmaal waren was het geweldig!

Gewoon om nog even de foto’s te delen dit berichtje.

VIPs

De ochtend die ons vertrek vanuit feestdorp Vang Vieng aankondigde was een bewolkte, eerder dan een zonnige. Het was alsof het dorp rouwde om ons vertrek. Dat is natuurlijk een hoogmoedige gedachte, maar het hielp zeker het vertrek draaglijker te maken. Ons laatste VV-ontbijt was uitgebreider dan de ochtenden tevoren: Judica waagde zich aan een Amerikaans ontbijt (baguette, omelet, patat, maar zonder bacon) en ik genoot een ‘continentaal ontbijt’ (een baguette met jam). Een fruithapje en dito shake erbij maakte het geheel tot een machtige maaltijd.

De bus die ons naar Luang Prabang moest brengen liet een beetje op zich wachten. Alle bussen die vanuit Vang Vieng te krijgen waren werden als VIP bussen verkocht, dus we verwachten heel wat. De rammelige oude bus (zonder a/c) die we kregen stelde dan ook iets teleur, maar voldeed verder prima. De waarschuwing die ons de Lonely Planet meegaf over de reis zelf bleek echter geen overdrijving. Het advies luidde: mensen met wagenziekte dienen beslist voorzorgsmaatregelen te nemen. De weg voerde in zijn volle 240 kilometer uitsluitend over kronkelige bergwegen. Nu, in Luang Prabang aangekomen, kunnen we geen haarspeldbocht meer zien! De rit duurde 8 uur en bood weinig kansen voor een dutje door het onafgebroken deinen van het VIP-vehikel.

Overigens was de rit zelf prachtig, juist ook door alle bergpassages. De weg voerde ons langs wonderschone uitzichten, aanvankelijk op karstbergen, later ook op wat minder grillige bergen. Karstbergen zijn een wonder op zich: sommige steken gewoonweg recht uit de grond de lucht in, anderen hebben scherpe randen en grillige wanden. De bergen werden hoger naarmate we Luang Prabang naderden. Soms leek het landschap op een groen laken waaronder lucht was geblazen, zodat overal hobbels en grillige bulten waren verschenen.

Rond vijf uur vanmiddag kwamen we hier uiteindelijk aan. Onderweg maakten we nog twee stops om wat te eten, maar veel trek hadden we door al het gehotseknots natuurlijk niet. Eten stond bij aankomst dan ook nog niet hoog op de agenda, wel een lekker stabiel, onbeweeglijk bed. Dat vonden we uiteindelijk na wat zoeken in een klein, maar gezellig en allervriendelijkst guesthouse. Voor 6 euro verblijven we nu ongekoeld in een licht claustrofobische kamer – maar met douchegordijn!

Overigens is de stad zelf prachtig. In het laatste uurtje daglicht dat de voormalig koninklijke nederzetting overgoot hadden we dat al snel door. De stad ligt op het schiereiland dat wordt gevormd door een rivier die in de machtige Mekong vloeit. De sfeer is warm, mede door de vele in Franse stijl gebouwde huisjes, de knusse straten en de overvloed aan Mekong-terrasjes. In de halfschemering hebben we, aan de waterkant van de Mekong, nog romantisch gedineerd. Schilderachtig mooi. Enfin, we redden ons hier dus wel even. Misschien niet als VIPs, maar zeker wel als gewone backpackende stervelingen.