0

Tranquilo

Het was koel vanochtend, toen we wakker werden in Managua. In onze hotelkamer dan wel te verstaan: buiten was het al vroeg warm. De afgelopen weken zijn we min of meer gewend geraakt aan temperaturen van boven de dertig graden, maar nu we een kamer met airconditioning hadden, konden we de verleiding ons leven een paar graden comfortabeler te maken toch niet weerstaan.

Vanochtend hebben we ons klaargemaakt voor de laatste etappe: een weekje paradijs op Little Corn. Omdat we in het kleine vliegtuigje maar weinig bagage konden meenemen, hadden we besloten reistassen te maken en de grote backpacks in het hotel in Managua achter te laten. Opgelucht met zulke kleine rugzakken op pad te kunnen togen we rond half twaalf richting het vliegveld.

De ‘terminal’ voor nationale vluchten bleek zich direct naast die voor de internationale vluchten te bevinden. Waar echter de grote jongens allemaal glimmende gecomputeriseerde balies hebben, bleek La Costeña zich nog altijd van de goede oude traditionele methodes te bedienen. Gelukkig waren we op tijd, zodat we niet in een ellenlange rij terechtkwamen, maar al na een half uurtje ingecheckt konden worden.

Dat inchecken was een amusant gebeuren. Uiteraard moesten we onze bagage afgeven, die keurig werd gewogen en gelabeld (maar niet met een barcode, natuurlijk). Daarna moesten we tot onze verrassing ook zelf op de weegschaal! Kennelijk telt elke kilo. We kregen keurig onze retourtickets uitgereikt, samen met onze boarding pass, een moment van grote hilariteit volgde. Want wat bleek, de boarding pass was niet een of andere computergegenereerde voucher, maar een groot stuk blauw karton met daarop de naam van onze bestemming en een volgnummer: Judica 7 en ik nummer 8. Echt fantastisch en goed voor het milieu. Bovendien raak je die enorme passen ook niet eenvoudig kwijt.

In het foodcourt van de internationale terminal aten we een broodje bij Subways om vervolgens onszelf richting het wachtende vliegtuig te begeven. Eerst nog even door een poortje (dat volgens mij een dummy was en gewoon voor iedereen piepte) om vervolgens bij de ‘gate’ te wachten tot we mochten boarden. Na een uurtje werd onze vlucht omgeroepen en mochten we door de poort naar het vliegtuig.

En daar stond ie dan: een glimmende, tamelijk nieuw ogende Cessna 208 Grand Caravan. Een naam overigens de lading goed dekt, want de kabine bleek van binnen werkelijk niets groter dan een flinke caravan te zijn. Maar erg mooi van binnen. We konden direct in de cockpit kijken (feitelijk gewoon de voorste twee stoelen) en zagen er allemaal vertrouwenswekkende hitec computerschermen.

Taxiën en opstijgen bleek heel eenvoudig. Geen ellenlang manouvreren, maar gewoon gaan met die… caravan. Omdat we vrij langzaam hoogte wonnen en sowieso niet erg hoog konden vliegen, hadden we een prachtig uitzicht op het Nicaragua onder ons. De vlucht duurde niet langer dan anderhalf uur, maar was erg de moeite waard.

Leuk om te zien hoe de piloot en copiloot om beurten hun handen van de knoppen af haalden om zich uit te rekken (soms ook tegelijkertijd) en hoe het vliegtuigje feitelijk zichzelf leek te vliegen. De piloot bleek een ware knoppofiel. Een van onze medepassagiers moest na een uurtje vliegen plots naar de toilet. Hij stond op om naar achteren te lopen, maar had zich duidelijk niet gerealiseerd dat de Grand Caravan geen boordtoilet heeft. Hij pakte daarop uit zijn bagage een plastic zakje en liet daarin zijn ongemak maar wegvloeien. Tot hilariteit en verbazing van de rest van de andere 10 passagiers, overigens.

Na ruim een uur vliegen kwam Big Corn, het grootste van de twee Corn Islands, in zicht. Ook de landing bleek een peulenschilletje en was voorbij voor we er erg in hadden. Waar de terminal in Managua al wat kleinschalig was, bleek de ontvangsthal op Big Corn meer een hutje met een paar deftige meneren (voor zover je die op een Caraïbisch eiland hebt, overigens).

Onze bagage bleek zich op het volgende vliegtuig te bevinden, dat overigens vlak na ons landde en was snel weer in ons bezit. Met hulp van een de vele taxichauffeurs buiten vonden we snel de pier. We hadden overigens dikke pret met hem, omdat we een van zijn rivalen hadden afgetroef. De beste man, met een dikke pens en een felrood t-shirt, probeerde ons tamelijk met de vleiende woorden ‘you are my people’ in zijn taxi te lokken. Hij keek daarbij vervaarlijk naar de andere chauffeurs. We liepen een eindje met hem mee, om hem vervolgens af te troeven door op het laatste moment toch met een ander mee te gaan. Judica, ik en de taxichauffeur hadden er grote schik om. Wat een nare vent, die rooie.

Bij de pier aangekomen was het niet meteen duidelijk welke boot we moesten hebben richting Little Corn. Er lag een grote boot, tamelijk gerieflijk ogend, waarvan we hoopten dat die het zou zijn. Het bleek echter een klein motorbootje, zonder dak. Een uur na de aangegeven tijd vertrok de boot eindelijk. In de tussentijd maakte we het ene na het andere Caraïbische schouwspel mee. Op de boot ontmoetten we ook een duikmeesteres in opleiding die ons morgen mee uit duiken gaat nemen. Ze was al wat aangeschoten en luidruchtig, maar bleek best aardig.

De bootrit was snel. Ofschoon het schuitje er niet naar uitzag, bleek het een heuse speedboot. We stuiterden over de golven, terwijl op de achtergrond de zon langzaam in de Caribean verdween. Net na zonsondergang landden we op de pier van Little Corn om na vijf minuutjes lopen ook onze kamer in te kunnen stappen. Een mooie kamer met uitzicht op de zee.

Bij het avondeten kwamen we onze nieuwe duikmeesteres weer tegen om later bij een kroegje hier niet ver vandaan ook nog wat oude bekenden uit Granada tegen het lijf te lopen. Het is ons al duidelijk: Little Corn is klein, iedereen kent hier iedereen en het motto luidt hier ‘tranquilo’ — rustig aan!

1. Twee enorme boardingpassen 2. Links onze Cessna 3. Van binnen net een busje 4. Klaar om op te stijgen 5. En we zitten in de lucht 6. Onder ons het droge Nicaraguese landschap 7. Happy people 8. Het wachten is op regen 9. Wow! 10. De Caraïbische kust van Nicaragua 11. Onze zeewaardige boot naar Little Corn 12. Een maf zootje 13. Voorop de dompteur die de boot temt 14. Zonsondergang in een speedboot 15. Dat gaat snel!
0

Reizen door Managua

We hebben ons de afgelopen drie dagen niet erg druk gemaakt. Na onze eerste surfdag hebben we nog een tweede poging gedaan. Judica stond wederom een paar keer fier op de plank, maar mij is het helaas niet meer gelukt als een ‘dude’ te surfen. De dag daarna hebben we rustig aan gedaan en ons op het hostel weten te vermaken. Die twee dagen waren feitelijk stilte voor de storm, want ons stond een grote reis te wachten: van San Juan del Sur (zoals de naam al doet vermoeden gelegen in het uiterste zuiden van Nicaragua) naar hoofdstad Managua een stuk noordelijker.

Reizen in Nicaragua is niet moeilijk, maar lijkt in weinig op reizen in Nederland. Treinen zijn er niet evenmin als echte snelwegen. Bijna iedereen reist daarom met de ‘chickenbus’. We hebben nog niet meegemaakt dat er daadwerkelijk kippen op de bus zaten, maar dat het gebeurt is zeker. Chickenbussen zijn oude Canadese/Amerikaanse schoolbussen (van die gele) die in leven worden gehouden met veel inventiviteit en ducttape.

De chickenbus is een groot avontuur. Het begint al met instappen. De bussen rijden vaste routes, maar je kunt aan een bus vaak niet zien waar hij heen gaat. Rondom de bussen lopen dan ook mannetjes die je proberen in een bus te krijgen. Je hoeft enkel je bestemming te noemen om in razend tempo een bus in gewerkt te worden. Onze grote backpacks verdwenen meestal op het dak van de bus.

Of de bussen volgens een bepaalde dienstregeling rijden, is ons nooit duidelijk geworden. Ze rijden in elk geval vaak en snel. De bus vertrekt zodra hij vol is. Tot die tijd lopen allerlei handelaren in en uit de bus om hun waren te verkopen: drankjes, snacks, batterijen, noem het maar op. Als de bus dan eenmaal vertrekt, begint het avontuur pas echt.

Eenmaal een paar minuten onderweg komt eerst de conducteur langs. Op de bus zitten altijd twee mannetjes (en soms ook hun familie): de bestuurder (die vaak wat sullig uit zijn ogen kijkt) en de conducteur. Die laatste is een lenige man die goed met geld overweg kan. Hij haalt bij iedereen razendsnel het bustarief op. Wat dat tarief is, is overigens een mysterie: je noemt je bestemming en hij noemt het bedrag. Het is nooit veel, maar ook nooit duidelijk. Voor een ritje van Rivas naar Managua (ongeveer 2 uur) betaalden we bijvoorbeeld 55 Cordoba (iets minder dan 2 euro).

De chickenbus heeft twee soorten haltes: die met een wachthuisje (uiterst zelfzaam) en willekeurige plekken op straat waar mensen op de wachten. Zodra de conducteur het vermoeden heeft dat er weleens mensen zouden willen opstappen, zwaait hij de deur open en begint luidkeels de bestemming van de bus te roepen. Soms doet de sullige chauffeur ook een duit in het zakje door aan de claxon te trekken. Wie er dan mee wil met de bus, hoeft slechts te zwaaien: de bus maakt dan een noodstop en laat (vol of niet vol) de nieuwe passagiers vriendelijk binnen. Eventuele bagage wordt vaak al rijdend op het dak gehesen. Als een vuistregel kun je stellen dat als je de conducteur niet kunt vinden, hij wel op het dak zal zitten. Je wacht dan gewoon bij de achterdeur tot je hem met een grote zwaai weer terug de bus in ziet komen.

Behalve passagiers stappen er onderweg ook allerhande colporteurs de bus op. Onderweg wordt je van je natje en droogje voorzien door dametjes en iele mannetjes met eten en drinken: ze reizen een paar minuten mee om dan verderop weer uit te stappen. Maar er gebeurt meer. Zo kwam er eens een net geklede vrouw de bus binnen en begon luidkeels en druk gebarend een verhaal. We verstonden er weinig van en begrepen pas wat ze verkocht toen ze boekjes begon uit te delen. Ze verkocht kennelijk een dieet. Iedereen mocht gratis het boekje inzien, maar wie het wilde houden moest betalen.

Op de zelfde manier werden we ook op een preek getrakteerd. Een getuige van Jehova begon ergens halverwege de reis ineens een donderpreek. Hij deelde onderwijl zaadjes uit en later ook envelopjes. Eenmaal klaar met de preek kwam hij weer bij iedereen langs om de envelopjes op te halen. Kennelijk was het de bedoeling dat de mensen de zaadjes in de envelop deden en er wat geld bij zouden steken om de zaadjes snel te doen ontkiemen (en de getuige aan een leuke dag te helpen). Tot onze verbazing gaf bijna iedereen royaal.

De meest aandoenlijke colporteur was nog wel een jongetje van een jaar of 12 die met een kleine gitaar haastig een plekje in het gangpad zocht en met een honingzoet stemgeluid traditionele liedjes begon te zingen. Na een minuut of vijf ging hij haastig met zijn hand langs om muntjes bij mensen op te halen: ook nu werd weer gul gegeven.

Behalve de chickenbussen zijn er nog wat kleinschaligere vervoersopties. Zo zijn er natuurlijk de taxi’s die je voor een appel en een ei rondrijden. Op lokale trajecten rijden ook micro-busses: volkswagenbusjes zonder kippen, maar verder eigenlijk kleine chickenbussen. In de steden zie je daarnaast nog vaak fietstaxi’s, motortaxi’s en andere geïmproviseerde mini-taxi’s. Altijd goedkoop en zelden veilig.

Vandaag gaan we vliegen. Binnen Nicaragua worden door één maatschappij vluchten vanaf Managua naar een aantal binnenlandse bestemmingen aangeboden. Er wordt gevlogen met oude landbouwvliegtuigjes van Cesna. Wij vliegen op die manier naar de Corn Islands aan de Caraïbische kust. Heel benieuwd naar de outfits van de stewardessen op die vlucht.

Overigens staat ons wel een luxe weekje te wachten. We verblijven in een hutje op het strand van het kleinste van de twee maïseilanden: Little Corn. Het eiland is slechts een paar vierkante kilometer lang en is verboden terrein voor auto’s. Stroom is er soms en zon altijd. We zijn van plan elke dag te gaan duiken en het prachtige onderwaterleven te genieten. Er zouden dolfijnen moeten zijn, hamerhaaien, manta’s en wat dies meer zij. Ongetwijfeld prachtig.

1. Microbusje 2. Best gerieflijk 3. Bushalte 4. Chickenbus
0

Doha!

Het klinkt bijna als een blije uitroep. Doha! Een mooi alternatief voor ‘Johee’, ‘Hola’ of ‘Aha’. Kort, krachtig en innemend. Geen idee of al die mooie termen ook maar enigszins slaan op de stad die Doha is. Vanuit de lucht hebben we er net wat schimmen van kunnen zien. Lichtjes overal, grote compounds en bijna-rechte wegen. Lees verder

Gevlogen

De eerste vlucht van onze grote reis zit er alweer op. In alle vroegte, om 7:25u vanochtend vlogen we: van Schiphol, ‘ahead of schedule’, naar Heathrow, London. Judica was de eerste om op te merken dat alle servicetrucks en shuttlebussen hier links rijden. Het kwartje viel pas vrij laat.

Wel een enorme toestand hier. Om te beginnen waren we bijna een half uur bezig (bijna net zo lang als onze vlucht!) om door de ‘fast track security’ te komen. Dat ging allemaal weliswaar vlotjes, maar de vele sihks voor ons (met tulband en haarpennen), moesten natuurlijk allemaal gefoeieerd worden ;)

Met hulp van een vriendelijke Brit (tot nu toe zijn we nog geen andere soort tegengekomen) die Acer laptops verkocht (we lieten hem trots onze MiniMe zien) hebben we een plekje met gratis Internet gevonden. We zitten dus nu op een bankje tegenover WHSmith en zijn boeken clandestien dit ooggetuigenverslag op te stellen. Lezen maakt je medeplichtig!

We gaan nu op zoek naar echte Engelse thee. Judica beseft nog niet volledig dat ‘Engels’ zwart met melk betekent en niet groen met citroen (en zoetjes). Verder merkte ze snedig op dat de mensen hier allemaal op Vief en Roger lijken. Dat is natuurlijk een groot compliment, maar wel opvallend. Britten zijn bijna net zo opvallend anders als sihks en piloten.

Oh ja, over vanochtend: we stonden dus om 3 uur vannacht op, werden vriendelijk uit ons bed gebonjourd en arriveerden met hulp van vriendelijke Enschedeërs ruim op tijd op het vliegveld (P1, rij 13, bij ‘de dijk’, tegenover Martinair; dit als hint voor het geval de auto nog steeds gezocht wordt). Een kopje warme koffie/thee en een paar warme handdrukken/zoenen leiden ons uiteindelijk door de gate. Een zachte vlucht volgde met een nog zachter (zompig?) broodje en een espressokopje jus d’orange. Wordt vervolgd.